030.
Bijbelstudie over het
HOOFDDEKSEL - MIG’BA’A
hibgm
Keppeltje en hoofddoek bijbelse opdracht?
Bent u wel eens met vakantie in Israël geweest? Dan
zal het u ongetwijfeld zijn opgevallen dat u allen bij het betreden van Joodse
heiligdommen het hoofd moet bedekken terwijl het bij het betreden van
christelijke heiligdommen precies tegenovergesteld is. De mannelijke bezoekers
moeten eerst hun petjes er afhalen voordat zij bijvoorbeeld de geboortekerk in
Bethlehem of de grafkerk in Jeruzalem binnen mogen, maar andersom staat er bij
de klaagmuur juist een bak met kartonnen keppeltjes voor de toeristen die zelf
geen eigen Kipa hebben. Hoe kan dat toch, dat
de Joden uit eerbied en respect voor G’d hun hoofd bedekken en de Christenen in
een vermeende vrijheid met onbedekt hoofd de heilige plaatsen betreden? Wat
zegt de Bijbel hier over? Laten we maar kijken wat Moshe [Mozes] moest doen toen hij
voor het eerst heilige grond betrad: “Moshe nu was gewoon de kudde van zijn schoonvader Yit’ro [Jetro], de priester
van Mid’yan,
te hoeden. Eens, toen hij de kudde naar de overkant van de woestijn geleid had,
kwam hij bij de berg G’ds, Chorev [Horeb]. Daar verscheen hem de Engel van Adonai als een vuurvlam
midden uit een braamstruik. Hij keek toe, en zie, de braamstruik stond in
brand, maar werd niet verteerd. Moshe nu dacht: Laat ik toch dat wondere verschijnsel gaan
bezien, waarom de braamstruik niet verbrandt. Toen de Eeuwige zag, dat hij het
ging bezien, riep G’d hem uit de braamstruik toe: Moshe, Moshe! En hij antwoordde:
Hier ben ik. Daarop zeide Hij: Kom niet dichterbij: doe uw schoenen van uw
voeten, want de plaats, waarop gij staat, is heilige grond!” (tvm> Sh’mot [Exodus] 3:1-5). Niemand gaat
de woestijn in zonder petje, hoed of hoofddoek, want er is geen schaduw en men
staat bloot aan de brandende hitte van de felle zon. Daarom mogen wij er rustig
van uit gaan, dat ook Moshe als herder in de woestijn een
hoofddeksel droeg om zich daarmee te beschermen, want anders zou hij een
zonnesteek oplopen. Maar moest hij zijn hoofddeksel weghalen toen hij heilige
grond betrad? Neen! Zijn schoenen wel, maar zijn hoofddeksel niet! Hij stond
dus met bedekt hoofd in G’ds tegenwoordigheid, en de Eeuwige heeft daar niets
van gezegd, want het was naar Zijn wil! Hoe weten wij dat? Omdat er in de
Bijbel talrijke voorbeelden staan dat niemand blootshoofds voor G’ds troon mag
komen.
Het hoofddeksel vormde een belangrijk onderdeel van
de priesterkleding, want de Eeuwige sprak tot Moshe: “Gij
dan, doe tot u naderen uw broeder Aharon, en zijn zonen met hem, uit het midden der Israëlieten, om
voor Mij het priesterambt te bekleden: Aharon, Nadav en Avihu, El’azar en Itamar, de zonen van Aharon. Gij zult heilige klederen maken voor uw broeder Aharon, tot een prachtig sieraad.
Gij zult zeggen tot allen die kunstvaardig zijn, welke Ik met een geest van
wijsheid vervuld heb, dat zij de klederen van Aharon maken, om hem te heiligen, om voor Mij het priesterambt te
bekleden. Dit nu zijn de klederen die zij maken zullen: een borstschild, een efod, een opperkleed, een
onderkleed van bewerkte stof, een tulband en een gordel. Zo
zullen zij heilige klederen maken voor uw broeder Aharon, en voor zijn zonen,
om voor Mij het priesterambt te bekleden. Ook zult gij een plaat van louter
goud maken en daarop graveren als zegelgraveerwerk: Heilig voor de Eeuwige. Gij
zult haar aan een blauwpurperen snoer bevestigen, en zij zal zich bevinden op
de tulband, aan de voorkant van de tulband.” (tvm> Sh’mot [Exodus] 28:1-4, 36-37). De priesters traden op als bemiddelaars tussen het volk en
de Eeuwige en konden natuurlijk niet met gewone alledaagse kleren voor de
Koning der koningen verschijnen. De Hogepriester was de man die G’ds
aanwezigheid het dichtst naderde. Daarom droeg hij een speciale hoofdbedekking
die in wezen eigenlijk een kroon was, namelijk een massief gouden band die hij
moest dragen op het voorhoofd over de tulband. Op deze gouden diadeem stond een
Hebreuwse tekst gegraveerd: hvhyl >dq
Qodesh laAdonai [Heilig voor de Eeuwige]. Het
Hebreeuwse woord >vdq Qadosh dat doorgaans vertaald wordt met het woord
"heilig" betekent eigenlijk "apart staan" of "apart
gezet worden". Deze tekst op de voorkant van zijn hoofddeksel diende
echter niet alleen om daarmee aan te geven dat de Kohen haGadol heilig is
voor de Eeuwige, maar tevens om alle Israëlieten eraan te herinneren dat ieder
individu door het geloof in de Eeuwige en het naleven van Zijn geboden heilig
behoort te zijn, want heeft u er misschien wel eens bij stilgestaan dat deze
tekst over de heiligheid op de hoofdband van de hogepriester weliswaar gelezen
kan worden door zijn omstanders, maar niet door hemzelf? De hogepriester droeg
dus een speciale tulband, in het Hebreeuws tpnjm
Mitz’nefet genaamd, maar welk hoofddeksel
droegen de gewone priesters? Daarvoor moeten we even de Statenvertaling
raadplegen. Daar staat in vers 40 van hetzelfde hoofdstuk: “Voor de zonen
van Aharon zult gij ook rokken maken, en gij zult voor hen gordels maken; ook zult
gij voor hen mutsen maken, tot heerlijkheid en sieraad.” Iets verderop, in vers 9 van hoofdstuk 29 lezen wij: “En
gij zult hen met de gordel omgorden, namelijk Aharon en zijn zonen; en gij zult
hen de mutsen opbinden, opdat zij het priesterambt hebben tot een
eeuwige inzetting” en in Leviticus 8:13 staat geschreven: “En Moshe deed de zonen van Aharon naderen, en trok hun
rokken aan, en gordde hen met een gordel, en bond hun mutsen op,
gelijk als de Eeuwige Moshe geboden had.” De
gewone priesters droegen dus mutsen, in het Hebreeuws staat hier het woord tvibgm Mig’ba’ot, en uit de
diepere betekenis van dit woord kunnen wij afleiden dat deze mutsen de vorm
hadden van heuveltjes. Een uitgebreide uitleg hierover komt straks iets
verderop in deze studie, maar op dit moment wil ik er alvast op wijzen dat deze
Mig’ba’a model
stond voor de huidige Kipa. Door het dragen van speciale reine kleren en hoofddeksels
werden de priesters voortdurend aan hun speciale rol en de heiligheid van hun
roeping herinnert en ook de
hogepriester mocht het heilige der heiligen nooit met onbedekt hoofd betreden,
en zeker niet op Yom Kipur,
de Grote Verzoendag. Is het u overigens wel eens opgevallen dat het woord Kipur aan het woord Kipa doet denken? Dat is zeer zeker
geen toeval, want als het om G’ds Woord gaat, bestaat er geen toeval! Het woord voor “verzoening”, hrpk Kapara, dat niet minder dan 48 keer voorkomt alleen
al in het boek arqyv Vayiqra [Leviticus], draagt
namelijk ook de betekenis van bedekking en bescherming in zich, zoals ook het
woord rpk Kiper zowel “verzoenen” alsook “bedekken” betekent.
En hiervan is dan ook het woord hpk Kipa afgeleid,
de hoofdbedekking van de mannen. De link tussen verzoening en bedekking vinden
wij overigens ook terug in het bekende gezegde: “Zand erover!” als men zich met
elkaar verzoend heeft. Het bloed van de bok, dat op Yom Kipur de verzoening voor het volk Israël bracht, bedekte de
Ark en het bloed van Yeshua bedekt al onze
zonden en heeft voor ons de weg vrij gemaakt om het hemelse heiligdom binnen te
mogen gaan! Zo mogen wij straks omhuld door de volmaaktheid van Yeshua haMashiach in de tegenwoordigheid van G’d
verschijnen, zoals een wolk van liefelijk reukwerk de Ark des Verbonds omhulde
en bedekte. De hoofddeksels van de hogepriester en de priesters hadden derhalve
verschillende diepere betekenissen. Naast het benadrukken van de heiligheid en
de waardigheid waren zij vanouds bovenal een symbool van nederigheid en
eerbied. Het bekende Joodse gebruik om het hoofd met een hpyk
Kipa te bedekken, is voor de gewone
mannen uit het volk, die niet uit de stam Levi
zijn en dus ook niet het priesterambt bekleden, waarschijnlijk van later datum.
Het ontstaan van de Kipa ofwel het keppeltje als hoofddeksel voor alle Joodse mannen is
niet duidelijk, maar des te duidelijker is het gebruik en de reden ervan. Het
woord komt oorspronkelijk niet uit het Hebreeuws, maar uit het Jiddisch en is
afgeleid van het Duitse woord “Kappe” of “Käppchen” en het Zuidduitse
“Keppele”, maar ook het Griekse woord Kephalē
kan men hierin herkennen, want het doel van het keppeltje is het bedekken van
het hoogste punt van de man, namelijk de kruin op zijn hoofd. Hier geldt de
regel, dat, wat men van binnen gelooft, het van buiten toont. Wat gelooft de
Jood? Wel, dat er Iemand is die boven hem staat, die groter en belangrijker is.
En wie staat er boven de mens? De Eeuwige, de Schepper, Hij die de Bron is van
al wat leeft, groeit en ademt. Daarom hoort binnen het orthodoxe Jodendom dan
ook iedereen een hoofdbedekking te dragen: de mannen een hoed of keppeltje en
de vrouwen een pruik, sjaal of hoofddoek, want volgens de rabbijnen staan zij
allen onder G’d en zijn afhankelijk van Hem. De hoofdbedekking is zowel voor de
Joodse man alsook voor de Joodse vrouw dus een uiterlijk teken van onderwerping
aan G’d en verootmoediging.
Het dragen van een hoofddeksel,
zeker tijdens gebed en Tora-lezing, wordt sinds
bijbelse tijden gezien als een teken van eerbied voor de Schepper dat aantoont
dat G'd steeds boven de mens staat, en als een uiterlijk kenmerk van Joodse
identiteit om zich duidelijk te onderscheiden van de heidense volkeren. Joodse
mannen dragen derhalve een keppeltje of een hoed en vrouwen bedekken hun hoofd
met een sjaal of hoofddoek, anderen met een hoed en een pruik. In de tijd van Moshe gold het blootshoofds zijn als teken van
vrijheid terwijl de slaven een soort muts moesten dragen en ook nog in de
Romeinse tijd droeg een dienaar of slaaf een hoofddeksel. Vrije mensen
daarentegen gingen blootshoofds door het leven, want hoofddeksel droegen de
Romeinse burgers niet, met uitzondering van de helmen voor de soldaten
uiteraard. De Joden droegen daarom ook toen al bewust een hoofddeksel als ze
bijeen kwamen voor gebed of als ze een zegen uitspraken en de naam van G’d
genoemd werd. Ze benadrukten daarmee dat ze dienaren van de Allerhoogste zijn,
knechten die zich vrijwillig onderwerpen aan het gezag van de Eeuwige.
Geleidelijk aan ontwikkelde zich uit de gevouwen muts de huidige Kipa. Het kan van zwarte stof gemaakt zijn, maar soms
is het ook gehaakt van wit en blauw garen. De Brestlov
Chassidim dragen een soort gebreide babymutsjes met kluit. De Kipa ziet men tegenwoordig in alle kleuren van de
regenboog, maar de ultra orthodoxe Joden dragen alleen een zwarte Kipa, meestal verborgen onder een zwarte hoed of
berenmuts. Tijdens de hoogtijdagen dragen ze een witte Kipa
als teken van reinheid. Naargelang de intensiteit van de geloofsbeleving hebben
sommige Joodse mannen altijd het hoofd bedekt, maar andere daarentegen slechts
wanneer zij bidden of een synagoge betreden, want dan heeft iedereen het hoofd
bedekt. In Nederland is het de Min’hag (een
plaatselijk en derhalve bindend gebruik) dat mannen in sjoel, in de huiselijke
eredienst en tijdens het leren en lesgeven hun hoofd bedekken met een Kipa, die ze op hun haar vastzetten met platte
krulspeldjes. In een synagoge of op een andere plaats waar men veel eerbied
voor heeft, bijv. de herdenkingshal in Yad Vashem,
moeten alle mannen, Joods of niet, een keppeltje dragen. Ze krijgen die dan
zoals ik al zei, bij de ingang en dan zijn de keppeltjes meestal van karton
gemaakt.
Maar de hoofddeksels dienden in bijbelse tijden niet
alleen als teken van eerbied en respect, maar ook als teken van verdriet,
schaamte, spijt en berouw. Hiervoor zien wij in G’ds Woord talrijke
voorbeelden. Als koning David naar
de Olijfberg ging om daar te bidden, precies zoals later ook Yeshua deed, dan bedekte hij daarbij
zijn hoofd, zoals geschreven staat: “David nu besteeg de
helling van de Olijfberg, en weende onder het voortgaan, het hoofd
omhuld en barrevoets; en allen die bij hem waren, hadden het hoofd
omhuld en trokken al wenende voort. - Toen David
op de top was aangekomen, waar men zich voor G’d pleegt neer te buigen,
zie, daar kwam de Arkiet Chusai hem tegemoet in
een gescheurd kleed en met aarde op zijn hoofd” (b lavm> Sh’mu’el bet [2 Samuël] 15:30 en 32). Toen Adonai de overspelige Israëlieten strafte met
droogte, kregen zij berouw en bedekten hun hoofd: “Hun aanzienlijken zenden
hun geringen om water: zij komen bij de bakken, zij vinden geen water, zij
keren terug met ledige kruiken; zij worden beschaamd en te schande en bedekken
hun hoofd. Ter wille van de akker zijn zij terneergeslagen, omdat er geen
regen op de aarde is geweest; beschaamd zijn de akkerlieden, zij bedekken
hun hoofd” (vhymry Yir’m’yahu [Jeremia]
14:3-4). Hetzelfde tafereel komen wij in laqzxy Yechez’q’el
[Ezechiël] 24:15-17, 22-23 en 44:17-18 tegen: “Het woord van Adonai kwam tot mij: Mensenkind, zie, Ik neem de lust
van uw ogen door een plotselinge slag van u weg, maar gij zult geen dodenklacht
aanheffen, gij zult niet wenen noch tranen storten. Kerm in stilte; dodenrouw zult
gij niet bedrijven; bind uw hoofddoek om, doe uw schoenen aan uw voeten,
bedek uw bovenlip niet, en eet het brood niet, dat de mensen u brengen. - En
gij zult doen, zoals ik gedaan heb: uw bovenlip zult gij niet bedekken en het
brood niet eten, dat de mensen u brengen, uw hoofddoeken zult gij om het
hoofd dragen en uw schoenen aan de voeten. Gij zult geen dodenklacht
aanheffen noch wenen, maar wegkwijnen in uw ongerechtigheid en de een tegen de
ander jammeren.”
Ook het inzegenen van een huwelijk is een
g’dsdienstige handeling en daarom mag ook het bruidspaar niet met onbedekt
hoofd onder de Chupa [huwelijksbaldakijn] staan. Ook
dat komen wij in G’ds Woord tegen, want er staat geschreven: “Ik verblijd mij
zeer in de Eeuwige, mijn ziel juicht in mijn G’d, want Hij heeft mij bekleed
met de klederen des heils, met de mantel der gerechtigheid heeft Hij mij
omhuld, gelijk een bruidegom, die zich als een priester het hoofdsieraad
ombindt, en gelijk een bruid, die zich met haar versierselen tooit.” (vhyi>y Yeshayahu [Jesaja] 61:10). Yeshua is onze hemelse bruidegom, maar
Hij is ook onze hemelse hogepriester. Als Hij een priesterlijke hoofdtooi
draagt, waarom zou een gelovige bruidegom dit niet ook doen? Alle
nieuwtestamentische gelovigen worden immers in 1 Petrus 2:5 een heilig
priesterschap genoemd en ook volgens Openbaring 1:6 heeft Yeshua hen tot priesters voor Zijn G’d en Vader
gemaakt. Indien dus een gelovige bruidegom een priester van de Allerhoogste is,
vindt u dan niet dat ook hij dan een priesterlijke hoofdbedekking zou moeten
dragen evenals onze hemelse Bruidegom?
“Ik prijs het in u, dat gij in alles aan mij gedachtig blijft en aan de
overleveringen zo vasthoudt, als ik ze u overgegeven heb. Ik wil echter, dat
gij dit weet: het Hoofd van iedere man is de Mashiach
[Christus], het hoofd der vrouw is de man, en het Hoofd van de Mashiach [Christus] is G’d. Iedere man, die bidt
of profeteert met gedekten hoofde, doet zijn Hoofd schande aan. Maar iedere
vrouw, die blootshoofds bidt of profeteert, doet haar hoofd schande aan, want
zij staat gelijk met ene, die kaalgeschoren is. Want indien een vrouw zich het
hoofd niet dekt, moet zij zich ook maar het haar laten afknippen. Doch indien
het een schande is voor een vrouw, als zij zich het haar laat afknippen of zich
kaal laat scheren, dan moet zij zich dekken. Want een man moet het hoofd
niet dekken: hij is het beeld en de heerlijkheid G’ds, maar de vrouw is de
heerlijkheid van de man. Want de man is niet uit de vrouw, maar de vrouw uit de
man. De man is immers niet geschapen om de vrouw, maar de vrouw om de man.
Daarom moet de vrouw een macht op het hoofd hebben vanwege de engelen. En toch,
in Adonai is evenmin de vrouw zonder man iets, als de man zonder vrouw.
Want gelijk de vrouw uit de man is, zo is ook de man door de vrouw; alles is
echter uit G’d. Oordeelt zelf: is het voegzaam, dat een vrouw met ongedekten
hoofde tot G’d bidt? Leert de natuur zelf u niet, dat, indien een man lang haar
draagt, dit een schande voor hem is, doch dat, indien een vrouw lang haar
draagt, dit een eer voor haar is? Immers, het haar is haar tot een sluier
gegeven. Maar, indien het er iemand om te doen is gelijk te hebben, wij hebben
zulk een gewoonte niet, en evenmin de gemeenten G’ds.” (1 Korinthiërs
11:2-16). Hier lezen wij
dus in vers 4: “Iedere man die met bedekt hoofd bidt of profeteert,
maakt zijn hoofd te schande!” (Nieuwe Bijbelvertaling) ofwel: “Een man die onder het bidden of profeteren
het hoofd bedekt houdt, doet zijn hoofd schande aan!” (Willibrord-vertaling). En in
vers 7: “Een
man mag zijn hoofd niet bedekken omdat hij G’ds beeld en luister is!” (Nieuwe Bijbelvertaling) ofwel:
“Een man
hoeft zijn hoofd niet te bedekken, want hij is het beeld van G’ds
glorie!”
(Willibrord-vertaling). - Hoe moeten wij dit zien? Betekent dit nu dat de
christenen gelijk hebben en de mannen in de samenkomst inderdaad geen keppeltje
mogen dragen? Neen, dat betekent het niet! Wat bedoelt hij dan wel? Voor een
goed antwoord op deze vraag moeten wij de Griekse grondtekst raadplegen, om te
beginnen bij vers 4:
paV anhr proseucomenoV h profhteuwn kata
kefalhV ecwn kataiscunei thn kefalhn autou
pas anēr pros-euchomenos ē prophēteuōn kata
kephalēs echōn kat-aischunai tēn kephalēn autou
De letterlijke vertaling van deze tekst is: “Elke man biddende of profeterende, iets neer op/over het hoofd hebbende, maakt diep te schande het Hoofd van hem.”
In dit vers wisselt Sha’ul
de letterlijke en de overdrachtelijke
betekenis van het Griekse woord kefalh kephalē [hoofd] af, omdat hij met het “bedekte
hoofd” het lichaamsdeel van de man bedoelt, terwijl het Hoofd dat hij hierdoor
onteert, Yeshua is. En waarom onteert hij Yeshua hierdoor? Omdat hij zijn hoofd bedekt op een
manier zoals een vrouw dat doet en daardoor zijn positie als man verloochent.
Vanuit de Griekse grondtekst kan men vers 4 daarom beter op de volgende manier
vertalen: ”Als een man iets over zijn hoofd laat hangen wanneer hij bidt of
uit naam van G’d spreekt, maakt hij zijn Hoofd te schande”, namelijk de Mashiach, die het hoofd van iedere man is, en wel
door een handeling, die niet overeenkomstig is met de rang waarin G’d hem
geplaatst heeft. In het Grieks staat dus helemaal niet: “met bedekt hoofd”, en ook niet: “iets op zijn hoofd hebbende”, maar: “iets neer over het hoofd hebbende”: kata kefalhV ecwn kata kephalēs echōn. Deze zinsnede, die
men ook kan vertalen met: “iets hebbende
vanaf het hoofd naar beneden” of “langs het hoofd” (kata kata = neer
over, langs) kan een beschrijving zijn van het bedekken van het hoofd met een
neerhangend hoofddoek of een tylu Talit [gebedsmantel]. Joodse mannen dragen immers
vanouds tijdens het bidden een gebedsmantel over hun hoofd. De hoofdbedekking
is zowel voor de Joodse man alsook voor de Joodse vrouw een uiterlijk teken van
onderwerping aan G’d en verootmoediging en daarom trekt de orthodoxe Jood voor
het bidden zijn gebedsmantel over het hoofd en bedekt er zijn gezicht mee. Dat
lijkt op zich niet verkeerd gezien de motivatie, maar waarom keurt Sha’ul, die zelf van huis uit een orthodoxe Jood was,
dit gebruik dan af? Waarom mogen messiasbelijdende Joodse mannen en gelovigen
uit de volken tijdens het gebed juist géén bedekking over hun gezicht laten
hangen? Dat komt, omdat Yeshua zelf de
bedekking van ons gezicht heeft weggenomen zoals een bruidegom dit doet met de
sluier van zijn bruid: “Ja,
tot heden toe ligt, telkens wanneer Moshe
(d.w.z. de Tora) voorgelezen wordt, een
bedekking over hun hart, maar telkens wanneer iemand zich tot de Eeuwige
bekeerd heeft, wordt de bedekking weggenomen.” (2 Korinthiërs 3:15-16). Sha’ul heeft het hier weliswaar over de bedekking van
het hart, maar zoals ik reeds eerder zei, wordt door de hoofdbedekking de
hartsgesteldheid zichtbaar gemaakt. Als Yeshua
in ons hart is gekomen, dan hebben wij het slavenhoofddoek of de slavenmuts
ingeruild tegen het priesterlijke hoofdsieraad, de Kipa,
en dan mogen wij daarmee ook naar buiten toe laten zien, dat wij geen slaven
meer zijn, maar vrije kinderen van G’d zijn geworden: “Die Geest getuigt met
onze geest, dat wij kinderen G’ds zijn. Zijn wij nu kinderen, dan
zijn wij ook erfgenamen: erfgenamen van G’d, en mede-erfgenamen van de Mashiach [Christus]; immers, indien wij delen in Zijn
lijden, is dat om ook te delen in Zijn verheerlijking” (Romeinen 8:16-17). De
mens is de beelddrager van G’d en hij is er dan ook toe geroepen om deze
rangorde gestalte te geven. In het bidden en profeteren is dat het beste te
zien, want bij het bidden richt de mens zich tot G’d en bij het profeteren richt
G’d zich tot de mens. Wanneer de man nu in de gemeente hardop bidt of
profeteert, moet hij rekening houden met de plaats, die de Eeuwige hem als
zichtbaar hoofd in de schepping heeft gegeven en daarom mag hij geen doek of
gebedsmantel over het hoofd trekken en er vooral niet zijn gezicht mee
bedekken! Dat komt in vers 7 nog duidelijker naar voren dan in vers 4, want in
de Griekse grondtekst van vers 7 staat:
anhr men gar ouk ofeilei katakaluptesqai
thn kefalhn eikwn kai doxa qeou uparcwn
anēr men gar ouk opheilei
katakaluptesthai tēn kephalēn eikōn kai doxa theou
hup-archōn
De letterlijke vertaling van deze
tekst is: “De man enerzijds namelijk niet behoort zich te bedekken/verbergen/versluieren
het hoofd, het evenbeeld en de heerlijkheid van G’d zijnde.”
Volgens de grondtekst heeft Sha’ul het hier echt niet over een keppeltje dat slechts de kruin bedekt, maar over een hoofddoek of gebedsmantel die het hele hoofd bedekt en zelfs ook het gezicht versluiert. Maar begrijp mij alstublieft goed: natuurlijk mogen messiasbelijdende Joden in gehoorzaamheid aan de inzettingen van de Tora een Talit met de Tzitzit dragen, want de Eeuwige gaf daartoe immers zelf de opdracht. Dat keurt Sha’ul ook helemaal niet af, maar bij het lezen van de Tora en het uitspreken van een T’fila [gebed], een N’vua [profetie] of een B’racha [zegenspreuk] mogen zij de Talit uiteraard niet over het hoofd trekken zoals de orthodoxe Joden doen, en bovendien staat ook nergens in de Tora dat de Eeuwige daartoe de opdracht gegeven zou hebben. Dat kan ook niet, want het bedekken of versluieren van het gezicht is in het Midden-Oosten vanouds iets zeer vrouwelijks, denk maar aan de inmiddels zeer bekende Burka, maar in de gehele zichtbare schepping is er geen wezen waaraan de gelovige man ondergeschikt zou zijn: “Of weet gij niet, dat de heiligen de wereld zullen oordelen? Weet gij niet, dat wij over engelen oordelen zullen?” (1 Korinthiërs 6:2-3). Daarom mag hij tijdens het bidden geen bedekking over zijn hoofd laten neerhangen, die het gezicht verhult. Indien hij in deze zichtbare wereld dit wel zou doen, dan zou hij zijn onzichtbare hoofd in de hemel, Yeshua, onteren! En weet u ook waarom? Omdat hij daardoor de indruk zou geven dat hij naast de Eeuwige nog aan een ander hoofd onderworpen zou zijn!!! Voor de vrouw ligt dat echter anders, want haar hoofd is de man. Zij moet juist wél een hoofddoek of sjaal dragen als zij bidt of profeteert. Zij geeft daarmee te kennen dat zij haar positie ten opzichte van de man ook dan niet prijsgeeft, wanneer zij iets doet wat eigenlijk de man behoort te doen, want als het om bidden in het openbaar gaat, staat alléén voor de mannen in 1 Timothéüs 2:8 het voorschrift, dat zij dit op elke plaats met opgeheven handen moeten doen. Nadat Sha’ul over de verkeerde manier van sommige mannen had gesproken, waarop zij met gedekt hoofd baden, werd door hem ook het gedrag van sommige vrouwen behandeld, die juist met ongedekt hoofd in het openbaar gingen bidden en profeteren, hetgeen hij hier nadrukkelijk afkeurde! Om dit goed te kunnen begrijpen moet men zich realiseren, dat gesluierd te zijn of een hoofdbedekking te dragen in oosterse landen een teken van schaamte of van onderwerping is, in tegenstelling met onze westerse gewoonten, waar het blootshoofds zijn onderwerping beduidt en het gedekte hoofd meerderheid en gezag. Door de vorm kan het hoofddeksel namelijk iemands waardigheid, aanzien en macht benadrukken. Zo is het hier in Europa dan ook een teken van respect en waardering om de hoed af te doen voor een meerdere. Denk maar aan de bekende uitdrukking: “Petje af!” als je heel erg onder de indruk bent van iemand, die iets bijzonders gepresteerd heeft. Wie zijn hoed voor een ander afneemt, 'verkleint' zichzelf volgens de westerse opvatting en toont daarmee respect voor degene die hij begroet. Want wie zich verkleint, vergroot de ander. In het algemeen was het dus vanouds gebruikelijk in de meeste Noordeuropese landen om het hoofd te ontbloten als teken van respect. Als mannen een hoed droegen, dan werd er van hen verwacht dat ze deze afnamen voor de vlag of in de nabijheid van hooggeplaatste personen. Maar in het Midden-Oosten en Zuid-Europa is het juist precies tegenovergesteld en wij moeten ons steeds blijven realiseren dat de Bijbel geen westers, maar een oosters boek is. Als gelovigen dienen wij ons derhalve te houden aan de bijbelse opvattingen hieromtrent omdat de Bijbel het Woord van G’d is! Als wij dit verschil van beleving in het achterhoofd houden, zullen we beter begrijpen, wat Sha’ul hier bedoelde, want de hele Bijbel is immers geen westers, maar een oosters boek! Zo moeten wij ook rekening houden met het feit, dat volgens hoofdstuk 14:34 en 1 Timothéüs 2:12 het aan vrouwen eigenlijk in het geheel al niet toegestaan is om in de samenkomsten te spreken. Door sommigen wordt dit zonder uitzondering opgevat, zodat ook een door de Heilige Geest geïnspireerde vrouw zou moeten zwijgen, maar anderen zijn van mening, dat Sha’ul hier hun hardop bidden niet verboden heeft, maar alleen de wijze afkeurde, waarop het gedaan werd. Dus hoewel een vrouw de gemeente niet mag leiden en onderwijzen en prediken, maar door het gebed, het lezen van de Haftara, het leiden van de zangdienst of het uitspreken van een profetie dus toch op de voorgrond komt, dan zal zij haar hoofd moeten bedekken om niet de indruk te wekken dat zij de positie van de man inneemt. En het schijnt dat sommige vrouwen in de gemeente van Korinthe dit dus heel bewust niet deden. De achterliggende reden voor deze vrouwen om met ongedekt hoofd in de samenkomst te bidden, was waarschijnlijk dat zij dit als een uiting van vrijheid en geestelijke rijpheid beschouwden. Sha’ul keurde dit gedrag af op een wijze die geen misverstand toelaat en schreef in zijn brief, dat als een vrouw de hoofdbedekking, het teken van haar onderwerping afwerpt, zij zich dan meteen ook maar het lange haar zou kunnen laten afknippen en het kort dragen zoals de mannen, of het hoofd maar helemaal laten kaalscheren, want dan is er toch al niets vrouwelijks meer aan. Dat zou dan in zekere zin erop kunnen duiden dat ze begerig is de door G’d zelf ingestelde posities van man en vrouw te veranderen; want dat was de fout van sommige vrouwen in de gemeente te Korinthe. Door zonder hoofddoek te bidden deden zij iets, dat alleen aan de man is toegestaan en maakten aanspraak op iets, dat dus tot het andere geslacht behoort, maar de seksen mogen niet van plaats wisselen, ook nu niet! Aangezien een korte mannelijke haarstijl in de Bijbel voor een vrouw als schandelijk wordt gezien, wees Sha’ul er nadrukkelijk op dat de vrouw bij het bidden en profeteren de gebruikelijke haardracht en hoofdbedekking behoort te dragen. Het is belangrijk, dat wij ons steeds blijven realiseren dat het met de taakverdeling in de gemeente, de hoofdbedekking en de kleding gaat om ieders officiële plaats in de schepping. De plaats van het openbaar optreden in en leiding geven aan de gemeente is die van de man. De vrouw heeft een meer teruggetrokken plaats en daarom wordt haar hoofdbedekking in vers 10 “een macht” genoemd, omdat het een teken is van het gezag waaronder zij staat, want ook al ziet G’d op de eerste plaats de hartsgesteldheid aan, maar Hij heeft ook zichtbare tekenen gegeven, waaraan de engelen kunnen zien of iemand wel of geen rekening wil houden met Zijn geboden en verboden. De vrouw moet derhalve ook een hoofdbedekking dragen vanwege de engelen, dat wil zeggen vanwege de door G’d ingestelde scheppingsorde waarover Zijn engelen waken (1 Kor. 4:9, 1 Tim. 5:21 en Hebr. 1:14). Deze engelen zien toe op de goede orde in het Koninkrijk van G’d en voor hen is dan de hoofdbedekking bij het bidden en profeteren het zichtbare bewijs, dat de vrouw daarbij op geen enkele wijze de plaats van de man wil innemen. Het gaat dus niet om iets wat cultuurgebonden zou zijn, zoals men vaak beweert, maar lang haar en hoofdbedekking staan volgens de verzen 13 t/m 15 in nauw verband met elkaar, omdat beiden tekenen zijn van onderworpenheid en het afzien van bepaalde rechten en om deze reden mag een man geen lang haar hebben. Een uitzondering hiervoor vinden wij echter bij de nazireeërs zoals Shim’shon [Simson] en Yochanan haMatbil [Johannes de doper]. Het lange haar van de vrouw is daarentegen voor haar een sieraad, een natuurlijke bedekking. Lang haar dragen is haar eer en geeft haar schoonheid omdat het haar als een natuurlijke sluier is gegeven en omdat zij daarmee blijk geeft van ingetogenheid en toewijding zowel aan haar man alsook aan Yeshua. Maar een vrouw die vanuit een vermeende christelijke vrijheid helemaal zonder hoofdbedekking en zelfs ook nog met heel kort geknipt haar in de gemeente bidt of profeteert, zal zich door haar uiterlijk voor G’ds engelen te schande maken, want het aan deze richtlijnen ten grondslag liggende g’ddelijke principe van gepastheid en onderscheid in sekse blijft onveranderlijk! Dit heeft niet Sha’ul of enig ander man bepaald, maar G’d zelf en daarom behoort dan ook elke gelovige vrouw die G’ds Woord serieus neemt, een gezindheid te hebben, die in overeenstemming is met haar positie, en niets te doen dat lijkt op aanmatiging of ruiling van plaats. Dat geldt natuurlijk ook voor de man. Wij moeten daarom ook in kleding en gewoonten alles vermijden wat Yeshua oneer kan aandoen en onze relatie met G’d kan verstoren. Ook al is het gevoel voor kleding en haardracht in onze tijd en cultuur veelal anders dan in bijbelse tijden en streken, dan mag dit toch geen excuus zijn om maar te doen alsof de bijbelse opvattingen hierover voor ons niet meer zouden gelden, want niets is minder waar! Het is daarom toch wel beschamend dat zoveel gelovigen, die bij wijze van spreken de bijbelse normen en waarden van kleins af met de paplepel hebben mee gekregen, zich in dit opzicht zo weinig hiervan aantrekken, want het is duidelijk dat Sha’ul hier bedoelde dat niet alleen onder de Joden, maar ook onder de Griekse gelovigen het door de Eeuwige gegeven onderscheid tussen de man en de vrouw zowel in kleding alsook in haardracht zichtbaar blijft. Misschien lijkt het allemaal wat overdreven dat er zoveel aandacht besteed wordt aan het wel of geen hoedje, hoofddoek of gebedsmantel over het hoofd, maar toch is het echt van groot belang, en wel omdat G’d zelf het zegt! Wij kunnen en mogen Zijn geboden niet zomaar achteloos opzij schuiven! Gezien het feit dat G’ds Woord tijdloos is en bindend voor de gelovigen van alle tijden en alle volken moeten wij ons niet laten wijs maken dat de bijbelse kledingvoorschriften tijd- en cultuurgebonden zouden zijn. Evenmin mogen wij ons laten aanpraten, dat door het Nieuwe Verbond de door G’d gegeven Wet met al haar voorschriften en geboden buiten werking zou zijn gezet. Maar dat wist u natuurlijk al! De gelovige man is volgens vers 7 het beeld en de heerlijkheid van de Schepper, de zichtbare vertegenwoordiger van de heerschappij en het glorierijk gezag, dat de Eeuwige over de wereld heeft. Dat moeten we goed leren beseffen! De heerlijkheid van G’d, in het Grieks doxa Jeou doxa Theou, wil zeggen “dat wat G’d verheerlijkt, dat wat Hem tot eer strekt”. Het is de man, die aan het hoofd van de lagere schepping gesteld is, en daarom draagt hij de gelijkenis van G’d, die dan ook van hem verwacht dat hij de kenmerken en eigenschappen van Zijn wezen vertoont. De vrouw is op haar beurt doxa androV doxa andros, de heerlijkheid van de man, omdat zij uit en om hem werd geschapen. Zij is zijn vertegenwoordigster. Dat wil niet zeggen dat zij niet ook de vertegenwoordigster van G’d zou zijn, maar zij is het wel in de tweede plaats. Zij is het beeld G’ds, voor zover zij het beeld van de man is; want de man is niet uit en omwille van de vrouw geschapen, maar de vrouw uit en omwille van de man. In vers 5 van dit hoofdstuk uit de brief aan de Korinthiërs heeft Sha’ul daarom ook zo nadrukkelijk geschreven dat een vrouw die ongesluierd of zonder hoofddoek bidt, haar hoofd, de man, schande aandoet. Maar in vers 7 staat het met betrekking tot de man precies andersom, want reeds in vers 4 hebben wij gelezen dat een man evenzo zijn hoofd, Yeshua, schande aandoet als hij tijdens het bidden wél zijn gebedsmantel als een sluier over het hoofd en over zijn gezicht getrokken heeft. Ook in de Nieuwe Bijbelvertaling komt dat helaas niet zo duidelijk naar voren, want daar staat slechts: ”Een man mag zijn hoofd niet bedekken”, maar eigenlijk staat er in de grondtekst: “Een man behoort het hoofd niet te verbergen!” Het hier gebruikte Griekse woord katakaluptw Katakalupto betekent namelijk niet gedeeltelijk bedekken, maar volledig bedekken, verbergen, verstoppen, versluieren. Sha’ul wil hiermee dus zeggen, dat een man zijn hoofd niet voor Yeshua moet verstoppen en versluieren, want hij is geen vrouw, maar hij is het beeld en de heerlijkheid van G’d! Sha’ul keurt hier dus beslist niet het dragen van een keppeltje tijdens het bidden af, laat ik daar nogmaals duidelijk over zijn, want de Tora schrijft duidelijk voor dat een priester daarbij altijd een hoofdbedekking moet dragen en ook wij als nieuwtestamentische gelovigen worden immers in 1 Petrus 2:5 een heilig priesterschap genoemd en volgens Openbaring 1:6 heeft Yeshua ons tot priesters voor Zijn G’d en Vader gemaakt. Indien ook wij priesters van de Allerhoogste zijn, vindt u dan niet dat ook wij dan een priesterlijke hoofdbedekking moeten dragen? Als de Eeuwige in Zijn Woord nadrukkelijk zegt dat de priesters geen g’dsdienstige handelingen mochten verrichten met onbedekt hoofd, dan lijkt het mij niet logisch dat Sha’ul ons opgedragen zou hebben om dit nu wél te doen! Integendeel! Dan zouden wij namelijk precies hetzelfde doen als de heidense priesters in de tempels van de afgoden. Is het u niet opgevallen dat de heidense priesters in het oude Egypte in tegenstelling tot de priesters van Israël altijd kaalgeschoren waren en met onbedekt hoofd hun afgoden dienden? En heeft u op de televisie of met vakantie in Thailand wel eens gezien hoe de boeddhistische monniken eruitzien? Precies hetzelfde als de priesters in de tijd van de Farao’s! En dat is nou juist één van de voornaamste redenen waarom de Eeuwige Zijn volk de opdracht gaf om zich in kleding en haardracht van de heidense volken te onderscheiden! Neen, Sha’ul kan dus nooit beweerd hebben dat gelovige mannen, die juist uit deze heidense volken afkomstig zijn, geheel blootshoofds mogen bidden in de samenkomst zoals zij reeds gewend waren, maar hij heeft hen slechts op gewezen dat het onbetamelijk is om tijdens het gebed naar de gewoonte van de orthodoxe Joden het hoofd te verbergen onder een Talit of hoofddoek. En juist dat laatste, het hoofddoek, levert nogal enige verwarring op als men de Tora op dit punt naslaat in de NBG-vertaling. Daar lezen wij namelijk: “Voor de zonen van Aharon [Aäron] zult gij onderklederen maken en gij zult voor hen gordels maken, en hoofddoeken zult gij voor hen maken tot een prachtig sieraad. Dan zult gij daarmede uw broeder Aharon en zijn zonen bekleden en hen zalven, wijden en heiligen, zodat zij voor Mij het priesterambt bekleden kunnen.” - “Gij zult hen omgorden met een gordel, Aharon en zijn zonen, en hun de hoofddoeken ombinden, en zij zullen het priesterambt hebben tot een altoosdurende inzetting; zo zult gij Aharon en zijn zonen wijden.” (tvm> Sh’mot [Exodus] 28:40-41 en 29:9). “En Moshe [Mozes] deed de zonen van Aharon naderen, bekleedde hen met een onderkleed, omgordde hen met een gordel en bond hun hoofddoeken om, zoals de Eeuwige Moshe geboden had.” (arqyv Vayiqra [Leviticus] 8:13). Blijkbaar droegen de priesters dus toch wel hoofddoeken, als wij tenminste van de NBG-vertaling moeten uitgaan. Maar gelukkig hoeven wij dat niet te doen, want er zijn nog genoeg andere vertalingen die wij ook kunnen raadplegen. Zowel de Staten- alsook de Luther-vertaling hebben het namelijk helemaal niet over hoofddoeken, maar over mutsen, en dat is niet hetzelfde. Maar wie heeft er nu gelijk? Is dat niet tegenstrijdig? Ja en nee! Weet u, de orthodoxe Chumash-vertaling verschaft ons hierin iets meer duidelijkheid, want de vertaler Yitzchaq Dasberg heeft het in tvm> Sh’mot [Exodus] 28:40-41 namelijk over “tot mutsen gevouwen hoofddoeken” en 29:9 vertaalt hij met: “hoofddoeken als mutsen omwinden”. Ik vind derhalve dat de Chumash van alle vertalingen de meest duidelijke omschrijving weergeeft van het Hebreeuwse woord tvibgm Mig’baot dat in de grondtekst staat, want een hibgm Mig’ba’a was namelijk inderdaad een soort primitieve prototype van de huidige Kipa en niet een neerhangend hoofddoek zoals de NBG-vertaling suggereert en volgens het woordenboek betekent tibgm Mig’ba’at tegenwoordig zelfs “hoed” in het moderne Hebreeuws. De gewelfde vorm van de hibgm Mig’ba’a vinden wij terug in de stam van het woord hibg Gib’a, hetgeen “heuvel” betekent. Het keppeltje lijkt ook inderdaad op een heuvel of een berg om ons aan de berg Sinai te herinneren, waarop de Eeuwige Zijn Tora aan Moshe gegeven heeft, en wij hebben daarom ook weinig fantasie voor nodig om bij het horen van het woord Gib’a onmiddellijk aan de Kipa te denken. Als wij het keppeltje omdraaien, dus met de open kant naar boven en de welving naar onder, dan lijkt het overigens op een kommetje, en ook dat woord is in het Hebreeuws afgeleid van dezelfde woordstam: iybg Gebiya. Wij mogen dus hieruit concluderen dat de priesters in de tempel een soort muts of kapje droegen, dat men zonder meer een primitieve voorloper van onze Kipa zou kunnen noemen. De hogepriester droeg daarentegen een tulband. In elk geval droegen zij allen een hoofdbedekking bij de uitoefening van g’dsdienstige handelingen. Interessant is overigens, dat zowel deze tulband alsook de Mig’ba’a, die deel uitmaakten van de linnen priesterkleding, beslist niet buiten de tempel gedragen mochten worden, wat blijkt uit de volgende voorschriften: “Wanneer de priesters binnenkomen, dan zullen zij niet uit het heiligdom naar de buitenste voorhof gaan, dan nadat zij daar hun klederen hebben afgelegd, waarin zij dienst hebben gedaan, want die zijn heilig. Zij zullen andere klederen aantrekken en dan mogen zij naderen tot de ruimte die voor het volk bestemd is. - En wanneer zij uitgaan naar de buitenste voorhof tot het volk, dan zullen zij hun klederen waarin zij dienst gedaan hebben, uittrekken en die neer leggen in de vertrekken van het heiligdom, en andere klederen aantrekken, opdat zij door hun klederen het volk niet heiligen.” (laqzxy Yechezq’el [Ezechiël] 42:14 en 44:19). Ik ben daarom van mening dat ook wij als messiasbelijdende gelovigen de Kipa uitsluitend dienen te dragen als wij g’dsdienstige handelingen verrichten in de sjoel of in een huissamenkomst, maar niet op straat of op kantoor. Maar om terug te keren naar ons eigenlijk onderwerp: de uitspraak van Sha’ul in de verzen 4 en 7 van 1 Korinthiërs 11 is dus niet in strijd met de Tora, want hij keurt daarin slechts het over het hoofd getrokken Talit of het dragen van een neerhangend hoofddoek af tijdens het bidden en niet het dragen van een tot een muts gevouwen hoofddoek, wat juist door de Eeuwige wordt opgedragen om te doen! Volgens de Tora moeten wij mannen ons hoofd wel bedekken met een Kipa, maar wij mogen het volgens Sha’ul niet verbergen onder een Talit! Sha’ul [Paulus] wist eigenlijk al, dat hij niet iedereen met zijn bijbelse argumenten kon overtuigen. Daarom zei hij in feite het volgende: “Wie zin heeft om daar ruzie over te maken, moet het maar zelf weten. Wij hebben in elk geval zoiets nooit eerder geaccepteerd en het is ook niet de gewoonte in de overige gemeenten, dat vrouwen helemaal zonder hoofdbedekking bidden of profeteren in de samenkomsten en mannen hun hoofd verbergen. Het is belangrijk deze principes van G’d ook vandaag toe te passen. Want in onze gemeenten moeten niet mènsen het laatste woord hebben, maar G’d, de Eeuwige, die ons geschapen heeft en daarom moeten we ons niet laten beïnvloeden door normen die in de moderne samenleving algemeen zijn, maar ons eenvoudig houden aan G’ds Woord, dat ons oproept om hier niet aan mee te doen: “Maar gij geheel anders: gij hebt de Mashiach leren kennen!” lezen wij in Efeziërs 4:20. Ik ben mij er terdege van bewust dat ik velen onder u met deze studie voor een dilemma breng, want u weet nu hoe de Eeuwige denkt over het wel of niet dragen van een hoofddeksel tijdens het bidden. Als u nu dus in uw kerk zonder hoofddeksel staat te bidden, dan weet u dat G’d dit niet goed vindt. Andersom weet u zo goed als zeker dat de leiding van uw gemeente het dragen van een Kipa niet goed vindt en er zeker iets van gaat zeggen als u het wel doet. Maar wie gaat u gehoorzamen? G’d of de mensen?
Werner Stauder